Frans Gunnink - 20 oktober 2003, 16:07
 Aandelen doen het op de lange termijn beter dan obligaties of sparen. U kent deze stelling vast wel. Wellicht hebt u zich er aan vastgegrepen, als laatste strohalm in de storm die de laatste jaren over de aandelenbeleggers is opgestoken.
U bevindt zich in goed gezelschap. Ook de pensioenfondsen hebben aan deze bewering geloof gehecht. Hun adviseurs wisten hen over te halen om de traditionele verhouding van 80% obligaties en 20% aandelen, om te buigen tot 60/40 of soms zelfs tot 60% aandelen. Met alle gevolgen van dien, op dit moment.
De problemen van de pensioenfondsen zijn voor een belangrijk deel te wijten aan overspannen verwachtingen, opgedrongen door verkeerde asset liability studies en kortzichtige beleggingsadviseurs. Wie slechts kijkt naar de afgelopen twintig jaar, komt inderdaad tot de conclusie dat aandelen 12% tot 15% per jaar kunnen opleveren.
Wordt de blik iets verder verruimd, dan resteert vanaf de jaren vijftig circa 8%. Wie honderd jaar teruggaat, houdt nog minder over. Zonder dividend zo’n 3,8% en met dividend 8,9%. Het rendement op obligaties in de afgelopen eeuw ligt gemiddeld op 4,23%. Inderdaad, de opbrengst van op aandelen ligt wel hoger dan dat op obligaties.
Verschil zit 'm in het risico
Onderzoekers van de London Business School hebben twee jaar geleden een studie, waaruit blijkt dat dat verschil in rendement voor een deel afhankelijk kan zijn geweest van enkele indicentele factoren. Even wat theorie: het verschil in rendement op aandelen en sparen (lees: staatsobligaties) zit 'm in het risico dat u loopt.
Niet voor niets verschaft een aandeelhouder risicodragend kapitaal. Gangbaar was de theorie dat de risicopremie (het verschil tussen aandelen en obligaties) op 5,5% lag. De Londense school, in opdracht van ABN Amro, zette die vooronderstellingen op hun kop. Toen zij de rendementen berekenden die in Amerika en in de Europese landen waren behaald, was dit verschil geen 5,5% maar 4,6%.
De praktisch ingestelde hoogleraren probeerden ook iets te kunnen zeggen over de toekomst. Zij menen dat de feitelijke risicopremie lager is dan die 4,6%. Een deel van dat verschil is toe te schrijven aan incidentele factoren, zoals de technologische ontwikkeling in de twintigste eeuw, waardoor de winstgevendheid van bedrijven harder dan gemiddeld steeg.
Toegenomen populariteit aandelen
De kasstromen groeiden harder dan de markt verwachtte en dit deed het rendement toenemen. Dit alleen al zou goed zijn voor 0,6% van het verschil van 4,6% in het rendement tussen aandelen en (staats)obligaties. Een nog grotere invloed heeft de toegenomen populariteit van het beleggen in aandelen bij het grote publiek. Dit zou goed zijn voor 1,1% van het verschil.
De grotere liquiditeit op de aandelenmarkt en de betere beschikbaarheid en verhandelbaarheid van aandelenfondsen zijn ook factoren die het risico drukken. De belegger is minder gevoelig voor gevaar geworden. De toekomstige risicopremie komt daarom naar verwachting veeleer op 2,9% en niet op 4,6%. Aan u de keus.
Voor de historisch geďnteresseerden en de technisch analisten onder u nog even een mooie langetermijngrafiek: de lange rente vanaf 1540. Met dank aan Martien van Winden van Theodoor Gilissen.
Frans Gunnink is redacteur van IEX.nl. Op moment van publicatie had Gunnink geen positie in de genoemde aandelen.] De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen. Uw reactie is welkom op
frans@iex.nl.
|