Uitverkoop van Nederlandse bedrijven
Vooral de afgelopen tien jaar zijn een groot aantal belangrijke Nederlandse bedrijven overgenomen door buitenlandse bedrijven. Het valt op dat de politieke machthebbers in Den Haag, maar ook de werkgeverstop in ons land deze uitverkoop van het Nederlandse bedrijfsleven kritiekloos hebben gadegeslagen. Het hoort bij de vrije markt en die moet je zoveel mogelijk z’n gang laten gaan, zo luidt het centrale argument. Gefundeerde kritiek op deze verkoop afkomstig van economen en vakbonden werd dan ook weggewuifd met een verwijzing naar de zegeningen van de vrije markteconomie.
De fans van deze verkopen menen ook dat deze ontwikkeling past bij een internationaal land als Nederland. Bovendien zou het goed zijn voor onze economie; wettelijke maatregelen tegen overnames zouden onze economie- en beursklimaat schaden. Deze aanhangers van de vrije markt wijzen er tevens op dat Nederlandse ondernemingen ook buitenlandse bedrijven overnemen. Dat is waar, als internationaal land dat zijn brood vooral met export verdient, zijn onze bedrijven wereldwijd actief. Investeringen in andere bedrijven zijn daar een onderdeel van. Maar de impact daarvan op de werkgelegenheid en economie van de veelal grote landen waar ons bedrijfsleven actief is, zoals de in de VS, is verwaarloosbaar. In onze relatief kleine economie kunnen buitenlandse machtsposities ingrijpende gevolgen hebben. Daarom moeten we maatregelen treffen waarmee voorkomen kan worden dat belangrijke strategische bedrijven worden overgenomen door op winst beluste koopjesjagers.
Nadelen van buitenlandse machtsposities
Op zich delen wij de opvatting dat bedrijfsovernames passen bij het open Nederlandse vestigingsklimaat en de wereldwijde toenemende internationalisering. Maar het zou toch verstandig zijn daarbij ook oog te hebben voor de schaduwkanten van deze overnames voor toekomstige ontwikkelingen van onze economie en werkgelegenheid. Voor een relatief klein land als Nederland is het van groot economisch belang waar de bestuurders en hoofdkantoren van bedrijven gevestigd zijn. Daarbij gaat het vooral om ondernemingen die van groot strategisch belang zijn voor onze economie en werkgelegenheid.
De praktijk laat zien dat het topmanagement van buitenlandse hoofdkantoren zeker in economisch zware tijden eerder kijkt naar het financieel eigen belang dan naar de belangen van de werknemers en de maatschappij in een ander land. De verkochte Nederlandse bedrijven worden inmiddels gemanaged door hoofdkantoren die in andere landen zijn gevestigd, zoals in de VS, Japan, Canada, China,Engeland enz. Dat kan een nadeel zijn. De geschiedenis leert dat bij zwaar economisch weer deze hoofdkantoren noodzakelijke bezuinigingsoperaties het liefst niet in eigen land willen uivoeren, maar verder weg, bijvoorbeeld bij hun vestigingen in ons land. Daardoor kunnen er banen in Nederland verdwijnen.
De “uitverkoop” van Nederlandse bedrijven wordt bevestigd in de gezaghebbende Amerikaanse Harvard Business Review (HBR). Daarin is een internationale ranglijst van landen opgenomen die per saldo een waardeverlies of waardevoordeel hebben gerealiseerd bij het aantrekken van grotere bedrijven uit het buitenland en het verkopen van bedrijven aan het buitenland. Van landen die een waardeverlies hebben geboekt staat Nederland wereldwijd op de vierde plaats en Europees gezien op nummer 1; ook wel aangeduid als de “Gekke Henkie”.
In Europa zijn de grote winnaars met waardevoordelen, Frankrijk, Duitsland, België en Zwitserland. In HBR wordt benadrukt dat grote verliezers, zoals Nederland, economische en maatschappelijke nadelen ondervinden van de grotere afhankelijkheid van de bazen in het buitenland. Een voorbeeld dat in ons land alle kranten heeft gehaald was de strijd om de sluiting van het internationale farmaciebedrijf MSD-Organon in Oss en Schaijk. Maar ook het internationale gevecht om ABN-Amro haalde de voorpagina’s.